donderdag 26 mei 2011

26 mei: Heilige Philippus Neri, belijder

Barones Dona Pompilia de Rossi heeft zojuist de communie ontvangen en wéér maakt zij aanstalten om de kerk uit te lopen. Verdrietig om zoveel gebrek aan eerbied zet de priester spontaan de ciborie op het altaar, rent naar de sacristie en duwt de misdienaars die klaar staan voor de volgende Mis brandende kaarsen in de handen: “Ren en ga naast de barones lopen.”
De vrouw weet niet wat haar overkomt als de misdienaars niet van haar zijde wijken. Geërgerd loopt zij met haar ‘schaduwen’ terug naar de kerk, waar de priester buiten wacht. Woest vraagt zij wat dit heeft te betekenen, waarop Philip Neri zegt: “De Kerk vraagt dat wanneer het Allerheiligste over straat wordt gedragen, Het met brandende kaarsen wordt begeleid. De misdienaars zullen u door de straten van de stad begeleiden totdat u thuis bent.” Verhit loopt Dona Pompilia terug de kerk in. Nooit meer zal zij die voortijdig verlaten.

Philippus Neri was in 1533, 18 jaar oud, van Florence naar Rome vertrokken. Kort daarvoor heeft hij afstand gedaan van een erfenis en zo komt hij berooid aan in de zogenoemde Heilige Stad, waar heiligheid soms ver te zoeken is. Hij geeft les in ruil voor een zolderkamertje en eten. Philip is opgewekt en recht door zee en zijn lessen, waarin humor en heiligheid onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, worden door steeds meer jongeren bijgewoond. Hij bezoekt armen en zieken, organiseert pelgrimsreizen naar de zeven hoofdkerken van Rome en bedelt geld bijeen voor hen die dit niet kunnen betalen.

Op aandringen van zijn biechtvader wordt hij priester en creëert hij plaatsen van gebed, meditatie, muziek en voordrachten, voorlopers van de latere oratoria.

Bisschoppen, kardinalen en pausen komen bij hem om raad. Als paus Gregorius XIV hem de kardinaalshoed stuurt, dan stuurt Philippus die per kerende post terug.

Op 26 mei 1595 verzamelt Philip zijn leerlingen om hem heen. Zittend in zijn bed geeft hij na tachtig jaar het leven aan zijn Heer terug.

Op 12 maart 1622 wordt Philippus Neri heilig verklaard, tegelijk met zijn vriend Ignatius van Loyola, Franciscus Xaverius en Theresia van Avila.


zondag 8 mei 2011

Preek voor de tweede zondag na Pasen


Ik ben de goede Herder.

Epistel
1 Petr. 2, 21-25
Veelgeliefden, Christus heeft voor ons geleden en u een voorbeeld nagelaten, opdat gij Zijn voetstappen zoudt volgen. Want zonde heeft Hij nooit bedreven, en er werd geen bedrog gevonden in Zijn mond; en toen Hij gescholden werd, schold Hij niet terug; toen Hij leed, uitte Hij geen bedreiging; maar Hij gaf Zich over aan degene, die Hem onrechtvaardig veroordeelde. Hij heeft onze zonden in Zijn lichaam gedragen tot op het kruishout, opdat wij afgestorven zouden zijn aan de zonde, en voor de gerechtigheid zouden leven. Door Zijn striemen zijt gij genezen. Want gij waart als ronddolende schapen, maar nu zijt gij teruggebracht tot de herder en de bewaker van uw zielen.

Evangelie
Joh. 10, 11-16
In die tijd zei Jezus tot de farizeën: Ik ben de goede Herder. De goede herder geeft zijn leven voor zijn schapen. Maar iemand, die huurling is en geen herder - aan wie de schapen niet toebehoren - hij laat, als hij de wolf ziet aankomen, de schapen in de steek, en gaat op de vlucht. En de wolf rooft en verstrooit de schapen. Een huurling nu neemt de vlucht, omdat hij maar een huurling is, en geen hart heeft voor de schapen. Ik ben de goede Herder, en Ik ken Mijn schapen en Mijn schapen kennen Mij, evenals de Vader Mij kent, en Ik de Vader ken. En Ik geef Mijn leven voor Mijn schapen. Ook nog andere schapen heb Ik, die niet van deze schaapstal zijn; ook die moet Ik er heen voeren, en zij zullen luisteren naar Mijn stem; en zo zal het worden: één Schaapstal en één Herder.

Preek
Deze zondag wordt terecht de zondag van de goede Herder genoemd. Het beeld uit het Evangelie van de Herder Die Zijn leven geeft voor Zijn schapen wordt nog duidelijker door het Paasfeest dat wij nog maar net gevierd hebben en door de lezing van deze zondag, waarin de heilige Petrus ons aan hetzelfde feit herinnert, namelijk hoe Christus, Die Zelf nooit enige zonde bedreef, onze zonden op Zich nam en Zich heeft overgeleverd aan de kruisdood om ons van onze schuld te bevrijden.

Door de bevrijding die wij door Zijn Verlossingswerk hebben mogen ervaren, heeft Hij ons opnieuw toegang verleend tot de kudde, waarvan Hijzelf Herder en Bewaker is. Beminde gelovigen, het epistel van vandaag stelt ons de waarheid voor ogen dat wij verloren schapen zijn geweest, want Petrus schrijft “gij waart als rondlopende schapen maar nu zijt gij teruggebracht tot de Beheerder en Bewaker van uw zielen”.

In het Evangelie zegt de goede Herder, Jezus: “Ik ken de mijnen en de mijnen kennen Mij”. Het is een kostbaar inzicht dat wij slechts kunnen verwerven door Gods genade. Hij is de enige Vriend, de enige Toevlucht, en de Raadsman bij uitstek die de mens heeft.

De goede Herder geeft Zijn leven voor Zijn schapen. In het Evangelie is dat een beeld, maar wel een beeld dat ons weer de oude, vertrouwde waarheid voor ogen stelt. Hij heeft voor mij Zijn leven prijsgegeven. Anderen doen dat niet. De huurling slaat op de vlucht als de wolf komt. Hij laat zijn kudde in de steek; de schapen gaan hem niet echt ter harte en omdat hij slechts huurling is en geen herder, laat hij ze door de wolf verscheuren.

Met Christus is dat anders. Hij kent Zijn schapen zoals de Vader Hem kent en zoals Hij de Vadert kent. Zo diep, zo volledig, zo vol van liefde is het feit dat Hij Zijn leven geeft.

De consequentie van ons geloof, van onze diepe overtuiging dat Jezus alles voor ons is en dat wij niet zonder Hem kunnen, kan geen andere zijn dan het verlangen om in diepe en voortdurende intimiteit met Hem te mogen leven. Deze intimiteit kunnen wij bereiken door een leven vanuit de sacramenten die ons heiligen en ons meer op Hem doen gelijken, en verder door gebed, geestelijke lezing, zinvolle offers van onthechting en door perioden van inkeer. Door deze oefeningen horen wij Zijn stem.

Beminde gelovigen, kon de goede Herder nog duidelijker zeggen dat Hij ons liefheeft? Hij bemint ons tot het uiterste toe. Geen enkele Herder kan het bij Hem halen in hartelijkheid, in diepte, in tederheid en fijngevoeligheid. Hij heeft als Herder alles voor ons over gehad.

Zouden ook wij Hem dan niet uit dankbaarheid van harte moeten volgen, en in een band van levende liefde Hem dag en nacht moeten dienen? Zouden wij niet reeds nu, tijdens onze aardse dagen, Zijn lof moeten zingen en met vreugde moeten treden in de tempel van de hemelse Vader, wanneer de goede Herder ons komt halen om ons door Zijn offer te verzoenen? Als wij Zijn weldaden overdenken is het vanzelfsprekend dat wij ons leven heiligen, conform de wil van de Vader, dat wij de heilige Mis aandachtig en met liefde bijwonen, en dat wij de geboden onderhouden. Dit alles is Zijn hoorbare stem. Als wij Hem toebehoren, dan herkennen wij daarin Zijn stem. Amen.