zondag 25 juli 2010

Op pelgrimstocht naar Santiago de Compostella

Volgens de legende zou Apostel Jacobus, de Meerdere, zoon van Zebedeüs en Maria Salomé, na het Pinksterfeest van het jaar 33 uit Jeruzalem vertrokken zijn om het christelijk geloof te verkondigen in Spanje. Dit land was in die tijd één van de voornaamste provincies van het Romeinse Rijk.

Het succes bleef uit, en hij keerde terug naar Palestina. Daar werd hij in het jaar 44 op last van Herodes Agrippa I onthoofd. (Deze was de kleinzoon van Herodes de Grote van de kindermoord te Bethlehem.)

Nadat Jacobus was terechtgesteld hebben zijn leerlingen het lichaam 's nachts weggehaald en naar Joppe (Tel Aviv/Jaffa) gebracht, van waaruit ze met een boot in het toenmalige Romeinse Iria Flava (Padrón) aankwamen. De steen waarop de boot vastliep wordt nog steeds bewaard in de parochiekerk van Padrón.
Hier gingen ze van boord. Een ridder die hen te hulp kwam werd door zijn paard, dat op hol sloeg, in zee geworpen. Toen hij op voorspraak van Jacobus met Gods hulp uit de Oceaan oprees was hij geheel met schelpen bedekt.
Dat de pelgrims naar Santiago de Compostela de schelp als herkenningsteken zijn gaan dragen, zal wel te maken hebben met deze legende.

De leerlingen gingen met het lichaam van Apostel Jacobus verder het land in en zochten een waardige plaats om hun leermeester te kunnen begraven.
Er heerste in die tijd een koningin over Galicië met de naam Lupa (wolvin). Aan haar werd gevraagd of zij een plek had om Jacobus te begraven. De koningin zei: "U kunt uw leermeester te rusten leggen op gindse berg, daar waar mijn tamme runderen grazen".
Het waren geen tamme runderen, maar wilde stieren die op die berg liepen.
Door de macht van het geloof en het slaan van een kruis werden de wilde stieren zo mak als een lammetje. De koningin zag dit alles en bekeerde zich tot het christelijk geloof.
De kist met het lichaam van Jacobus werd op een wagen geladen en door de stieren naar een enkele kilometers verder gelegen plek getrokken, waar zijn leerlingen hem begroeven en hun verdere leven wijdden aan de kerstening van Galicië.

Het bovenstaande zou helemaal vergeten zijn als kluizenaar Pelagius in de zomer van het jaar 813 geen visioen had gekregen. Hierin zag hij waar Apostel Jacobus begraven was. Dit vertelde hij onmiddellijk aan Theodomiro, bisschop van Iria Flava (Padrón), waarna het zoeken naar het graf van Jacobus begon. Op een berg, die 's nachts door een ster werd verlicht, vond men een graf. Dit werd voor dat van Jacobus gehouden.
Vanaf die tijd noemt men die plek 'Campus Stellae', ofwel: 'Veld van de Ster'.

In de tijd van de ontdekking van het graf hadden de Moren een groot gedeelte van Spanje in hun macht. Toen Ramiro I van Asturië en León in 844 tegen hen in opstand kwam, kreeg hij in de slag van Clavijo (± 20 km ten zuiden van Logroño) tegen Abd ar-Rahman II, de Emir van Córdoba, volgens de legende, hulp van de Heilige Jacobus. Gezeten op een wit paard verscheen hij met een vlammend zwaard in zijn hand, en vocht mee aan de zijde van de christenen. In de eeuwen die volgden werd "Santiago Matamoros" (St Jacobus de Morendoder) het boegbeeld voor een christelijk Spanje.
Maar op 11 augustus van het jaar 997 werden de christenen bijna geheel verslagen. Toen werd namelijk Santiago door Al-Mansür ingenomen en tot op de laatste steen verwoest.
Tijdens de inname en verwoesting zag Al-Mansür een monnik bidden bij het graf van de Apostel. Op de vraag wat hij daar deed zei deze toen: "Ik bid tot de Heilige Jacobus".
Al-Mansür liet hem rustig verder bidden. Er geschiedde hem niets en het graf werd gespaard. Dit was voor het Arabische Rijk de grootste fout die gemaakt kon worden.
Daardoor blééf Jacobus de bezielende kracht voor de christenen, in Spanje en in de rest van Europa, in de strijd tegen de Moren.
Als krijgsbuit nam Al-Mansür de klokken van de kerk van Santiago en liet ze vervolgens door christelijke gevangenen naar Córdoba slepen.
Toen op 29 juni 1236, onder leiding van Ferdinand III van León en Castilië, de stad Córdoba werd veroverd kwamen de klokken weer terug naar Santiago de Compostela.
Nu moesten de arabische krijgsgevangenen de klokken slepen.

Het zou evenwel tot 1492 duren eer de macht van de Moren totaal was gebroken. In dat jaar werd bij een grote veldtocht, onder leiding van Ferdinand II van Aragón en Isabella van Castilië, de stad Granada veroverd. Toen was Spanje vrij van de moorse overheersing.

Over het ontstaan van de St Jacobus-verering vinden wij vermeldingen in het boek over martelaren, het zogenaamde Martyrologium, van Usuardus van Saint Germain-des-Prés. Dit boek is samengesteld vóór 870. Hierin staat letterlijk: "Het gewijde gebeente van de Heilige Apostel Jacobus werd overgebracht naar Spanje en daar begraven tegenover de Britse Zee. Het gebeente wordt er hogelijk vereerd". Via dit Martyrologium werd in heel Europa bekend dat het graf van Jacobus zich in het noordwesten van Spanje bevond.
Vanaf die tijd is de pelgrimage naar Santiago de Compostella langzaam op gang gekomen.
De oudst ons bekende pelgrim die op schrift vermeld staat is Godescalc. Hij was bisschop van Le Puy, en ging in 951 naar het graf van Jacobus in Santiago de Compostella.

In de elfde eeuw zien we een verdere opbloei van de bedevaarten naar Santiago. Vanaf de twaalfde eeuw nemen zij een meer massale vorm aan.
De tijd van 1200-1500 is een hoogtepunt voor Santiago de Compostella als bedevaartsoord.
De schattingen over het aantal pelgrims in die tijd lopen uiteen van 200.000 tot 500.000 per jaar. Bij een bevolking in Europa van niet meer dan 75.000.000 zielen toentertijd is dit een formidabel getal. Dit betekent, uitgaande van de laagste schatting, dat minstens 1:375 inwoners van Europa naar Santiago op bedevaart ging.
Bij de Reformatie, in het begin van de zestiende eeuw, liep het aantal pelgrims sterk terug.

Uit archiefstukken kan men zien dat de pelgrims, behalve uit Spanje, uit heel Europa kwamen, zoals uit Frankrijk, Engeland, Duitsland, Italië (St Franciscus), Hongarije, Polen, Tjechië, de Nederlanden (de Vlaamse schilder Jan van Eyck) en Zweden (St Birgitta). Er schijnen zelfs pelgrims uit Ethiopië en India te zijn geweest in Santiago de Compostella.

In de oorlog tussen Engeland en Spanje werd Santiago in 1589 door de troepen van Sir Francis Drake bedreigd. De relieken van St Jacobus werden naar een veilige plaats overgebracht. Deze bleek zo veilig dat ze niet meer waren terug te vinden. Ondanks alles bleven de pelgrims in de zeventiende en achttiende eeuw naar Spanje komen.
Vanaf het einde der achttiende eeuw tot ongeveer het einde der negentiende eeuw was er een dieptepunt in de pelgrimage naar Santiago de Compostella. Toen op 28 januari 1879 bij een archeologisch onderzoek de relieken werden teruggevonden leefde de bedevaart naar Santiago weer op.

Al zijn het niet meer de honderdduizenden van de Middeleeuwen die naar Santiago gaan, toch vinden nog jaarlijks duizenden hun weg naar St Jacobus. Dit gebeurt dan ofwel te voet ofwel per fiets. De laatste tijd komt de pelgrimage naar Santiago de Compostella steeds meer in de belangstelling.

De feestdag van St Jacobus valt op 25 juli. Het jaar waarin deze dag op een zondag valt noemt men in Santiago een Heilig Jaar. Dit gebruik werd omstreeks 1428 ingesteld.
Omdat 25 juli in het huidige jaar op een zondag valt is 2010 dus een Heilig Jaar.

Har Maessen, Maasbracht


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen