vrijdag 14 mei 2010

Het landjuweel

´k Heb de lichtende, lachende Meimaagd aanschouwd,
In de morgenschijn van een meidag goud.

Met een kroon op haar hoofd en een bloem in de hand,
Zo wandelde, wandelde zij over ´t land.

Haar kleed was groen en haar mantel blauw,
Die hing als een meiwei vol morgendauw.

En elk die haar zag in het midden der stoet,
Die zeide: hoe schoon is zij en hoe goed!

En boog wel zijn voorhoofd tot aan de grond,
En kuste het veld met zijn zachte mond.

De boer liet zijn stappende paarden staan,
Tot Maria hem voorbij was gegaan.

Zij zegende ´t koren en zegende het land,
Zij deed dat verheugd met een bloem in de hand.

En de klokken luidden uit elke streek,
En de mensen lieten het werk in de steek.

Zij liepen maar recht door tuin en heg,
Te saam aan de rand van de overweg.

Maar de kinderen droegen seringen aan,
En vingen daar eensklaps te zingen aan:

Zo ´n wonderzoet wijsje, dat elk erbij zweeg,
En Maria haar ogen vol tranen kreeg. (...)

´k Heb de lieflijke, lachende Meimaagd aanschouwd,
In de morgenschijn van een meidag goud:

Met een kroon op haar hoofd en een bloem in de hand,
Zo wandelde zij door het Limburgse land.

Zij zegende ´t koren, de boekweit, het vlas
Met al wat zo goed voor de mensen was.

En iedereen weet nog hoe vriendelijk zij keek:
Naar een meisje dat linnen wies bij de beek.

Naar een kindje dat voor een arm huisje zat,
En stil uit zijn bordje zijn papje at.

Naar een witte bloem en een oud kasteel,
Naar de wijzerplaat op de kerk van Heel.

Jacques Schreurs MSC

Nis en Nimbus (Utrecht 1933)
Overgenomen uit: Th. Schouw: 'De krekel op de Harp' (Sittard 1993)

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen